Zinnen maken – onregelmatige werkwoorden 1

Het Spaans kent net als andere talen onregelmatige werkwoorden. De belangrijkste komen op deze site aan de orde. De regelmatige vormen zijn weggelaten. Zo is de toekomende tijd bij onregelmatige werkwoorden meestal regelmatig. Is dat niet het geval, dan worden de vormen apart genoemd bij de behandeling van dat werkwoord.

Ser (zijn)

Het Spaans heeft twee verschillende werkwoorden die ‘zijn’ betekenen: ‘ser’ en ‘estar’. Het is niet altijd gemakelijk eenduidig aan te geven welke van de twee moet worden gebruikt. Globaal geldt dat ‘ser’ wordt gebruikt voor eigenschappen, zaken die langdurig van aard zijn, terwijl ‘estar’ wordt gebruikt om een (kortdurende) toestand aan te geven.


imp = imperfecto
ind = pretérito indefinido

Uitleg

De ‘ik’-vorm en de ‘hij’-vorm zijn bij de imperfecto hetzelfde.

Voorbeeldzinnen

Ik kom uit Spanje.
Soy de España.

Het huis is rood.
→ La casa es roja.

Estar (zijn)


imp = imperfecto
ind = pretérito indefinido

Uitleg

De ‘ik’-vorm en de ‘hij’-vorm zijn bij de imperfecto hetzelfde.

De vormen van de imperfecto zijn regelmatig.

Voorbeeldzinnen

Ik ben in Spanje.
Estoy en España.

Ik ben blij.
Estoy feliz.

Haber (hebben)

Het Spaans heeft twee verschillende werkwoorden die ‘hebben’ betekenen: ‘haber’ en ‘tener’. ‘Haber’ wordt gebruikt als hulpwerkwoord bij het voltooid deelwoord. ‘Tener’ wordt gebruikt in overige gevallen.

Uitleg

De weergegeven verleden tijd is de pretérito indefinido. De vormen van de imperfecto zijn regelmatig.
De ‘ik’-vorm en de ‘hij’-vorm zijn bij de voorwaardelijke wijs hetzelfde.

Voorbeeldzinnen

Ik zou in Spanje zijn geweest.
Habría estado en España.

Hij heeft het huis geverfd.
Ha pintado la casa.

Tener (hebben)

Uitleg

De weergegeven verleden tijd is de pretérito indefinido. De vormen van de imperfecto zijn regelmatig.
De ‘ik’-vorm en de ‘hij’-vorm zijn bij de voorwaardelijke wijs hetzelfde.
‘Moeten’ kan worden vertaald met ‘tener que’, denk aan het Engelse ‘to have to’.

Voorbeeldzinnen

Ik moet in Spanje zijn.
Tengo que estar en España.

Hij heeft een rood huis.
Tiene una casa roja.