Algemeen – dieren

Zoogdieren

Voorbeeldzinnen

Ik heb drie katten en een hond.
→ Tengo tres gatos y un perro.

De beer eet konijnen.
→ El oso come conejos.

Voorbeeldzinnen

Een zebra is geen beschilderd paard.
→ Una cebra no es un caballo pintado.

De leeuw is bang voor muizen.
→ El león tiene miedo de ratones.

Vogels

Voorbeeldzinnen

Ik zie een haan met vijf kippen.
→ Veo un gallo con cinco gallinas.

De papegaai praat met ons.
→ El loro habla con nosotros.

Vissen

Voorbeeldzinnen

De haring eet goudvissen.
→ El arenque come peces dorados.

De kat zoekt tonijn.
→ El gato busca atún.

Reptielen en amfibieën

Voorbeeldzinnen

De schildpad eet kikkers.
→ La tortuga come ranas.
De slang is gevaarlijk.
→ La serpiente es peligrosa.

Geleedpotigen

Voorbeeldzinnen

De spin eet muggen.
→ La araña come mosquitos.

Vlooien kunnen springen.
→ Las pulgas pueden saltar.